Buren
De tweeling groeide op in een ideale omgeving. Vader was arts en moeder gaf natuurwetenschappen aan de plaatselijke middelbare school. Van jongs af aan leerden ze dat de wetenschap uiteindelijk een antwoord zou kunnen geven op vrijwel elke vraag. Misschien had men het antwoord vandaag nog niet, maar verder onderzoek zou het ongetwijfeld ooit aan het licht brengen.
Natuurkunde, scheikunde, techniek, literatuur en al die andere wetenschappen vormden voor hen de weg naar een succesvol en zinvol leven.
Moeder kon precies uitleggen hoe een regenboog ontstaat. Vader vertelde dat wetenschappers nog altijd op zoek waren naar een oplossing voor de aandoening van het kind van hun buren, dat het syndroom van Down had. Hun ideeën over goed en kwaad waren grotendeels gebaseerd op menselijke waarden en mensenrechten.
Het gezin stond goed aangeschreven in de buurt. Ze waren actief in de plaatselijke welzijnsorganisatie en namen deel aan allerlei maatschappelijke activiteiten. Vader was bovendien als begeleider verbonden aan de plaatselijke gevangenis.
Tegen de tijd dat de broer en zus — laten we ze Marguerite en Jeffrey noemen — tieners waren geworden, waren ook zij waardevolle en gewaardeerde leden van de gemeenschap.
Een paar huizen verderop woonde een ander gezin dat eveneens genoot van het respect van de buurt. Ook de broer en zus uit dat gezin gingen naar dezelfde middelbare school. Ze stonden bekend als vriendelijke, respectvolle jongeren met enigszins behoudende opvattingen. Hun vader was een adventistische predikant en hun moeder gaf les op de lagere school.
Ook zij kenden de wetenschappelijke verklaring voor het ontstaan van een regenboog. Maar zij zagen daarin méér dan alleen een natuurkundig verschijnsel. Voor hen was de regenboog het resultaat van het bewuste handelen van God.
Tijdens een les werd dit eens ter sprake gebracht. Het leidde tot een levendige discussie onder de leerlingen.
De twee gezinnen kenden elkaar. Als buren kwamen ze elkaar regelmatig tegen en soms deden ze samen mee aan activiteiten.
Het adventistische gezin wilde graag iets delen met hun buren. Ze wilden vertellen over hun geloof in een God die volkomen liefdevol is. Ze wilden hun hoop delen op een toekomst waarin geen zonde, lijden en dood meer zouden bestaan. Ze verlangden ernaar iets door te geven van wat zij zelf als een groot voorrecht zagen: het leven als kinderen van hun Schepper. Maar hoe goed hun bedoelingen ook waren, ze slaagden er niet in werkelijk contact te maken. Waar konden ze elkaar vinden?
Aan de ene kant stond een wereldbeeld dat stevig op wetenschap was gebaseerd. Voor vrijwel ieder mysterie van het leven bestond óf al een wetenschappelijke verklaring, óf men verwachtte dat die verklaring uiteindelijk door verder onderzoek gevonden zou worden.
Kijk alleen maar naar de ruimtevaart. De spectaculaire ontwikkelingen hebben ons beeld van het heelal in enkele tientallen jaren tijd enorm verruimd. Wat vandaag bekend is, is nauwelijks te vergelijken met wat vijftig jaar geleden bekend was. En er is weinig reden om aan te nemen dat deze groei van kennis de komende decennia zal stoppen.
Hoe kun je daar tegenover staan als het enige wat je te bieden hebt, God is?
Je zegt dat God almachtig is. Maar wat heb je om dat te bewijzen?
Een boek van minder dan tweeduizend bladzijden, waarvan de oudste delen ongeveer tweeduizend jaar geleden zijn geschreven. Een boek waarvan deskundigen nog altijd van mening verschillen over de betekenis van veel passages.
Hoe overtuig je iemand ervan dat God achter de regenboog staat, wanneer de wetenschap heel nauwkeurig kan uitleggen hoe een regenboog ontstaat?
Hoe overtuig je iemand ervan dat er een wereldwijde zondvloed heeft plaatsgevonden waarbij vrijwel al het menselijke en dierlijke leven werd vernietigd — door dezelfde God van wie wij zeggen: ‘God is liefde’?
Al tweeduizend jaar vertellen christenen de wereld over God.
En toch lijkt het resultaat, wanneer we eerlijk zijn, nogal beperkt.
Zou het kunnen dat de daden van mensen veel luider hebben gesproken dan hun woorden?
Hebben oorlogen, conflicten, onderdrukking en onrecht — plaatselijk én wereldwijd — niet een boodschap uitgestraald die soms lijnrecht ingaat tegen wat wij met onze woorden verkondigen?
De noodzaak van politie en wetshandhaving. De noodzaak van rechtbanken en gevangenissen. De noodzaak van ziekenhuizen en weeshuizen. De enorme hoeveelheden geld die nodig zijn om de gevolgen van armoede, oorlog en onrecht te bestrijden.
Zou het kunnen dat dit alles samen een boodschap verkondigt die moeilijk te rijmen valt met de Bijbel en met onszelf, wanneer wij beweren dat wij de vertegenwoordigers van die Bijbel zijn?
Eeuwenlang hebben christenen bovendien onderling gediscussieerd over de betekenis van Bijbelteksten. We hebben argumenten ontwikkeld die de één overtuigen en de ander juist afstoten.
Maar is het mogelijk dat de overtuigingskracht van een argument — of het nu gaat om de juiste dag van aanbidding, de manier waarop iemand gedoopt moet worden of een andere leerstelling — niet alleen afhankelijk is van de waarheid van het argument?
Misschien hangt het ook af van de persoon die naar ons luistert.
En misschien nog belangrijker: van de persoon die het argument naar voren brengt.
Dit alles gebeurt terwijl ergens in de wereld mensen bij duizenden sterven van de honger en oorlog het leven van gewone mensen verwoest.
En ook dat is het resultaat van menselijk handelen — vaak van mensen die zeggen te geloven in het bestaan en het gezag van de ene en enige God.
Wij als adventisten zeggen dat we een duidelijke opdracht hebben gekregen om het evangelie aan de hele wereld te verkondigen. Mattheüs 28 laat daar weinig twijfel over bestaan.
Maar laten we eerlijk zijn: onze boodschap spreekt de meerderheid van de mensen niet aan.
Wie wél luistert, heeft vaak het bestaan van God al aanvaard. Het zijn vaak mensen die verlangen naar gehoorzaamheid, die openstaan voor een bepaald soort waarheid en die overtuigd kunnen worden door een goed argument.
We tellen onze dopelingen en nieuwe leden bij duizenden. Maar hoeveel aandacht besteden we aan de miljoenen die niet overtuigd zijn?
Als de kerk een onderneming was, zouden we misschien moeten vaststellen dat het bedrijfsmodel niet bijzonder succesvol is.
Maar laten we de kerk eens helemaal buiten beschouwing laten. Welke kerk dan ook.
Laten we naar onszelf kijken. Hoe reageren mensen op ons?
Wanneer mensen naar ons leven kijken, worden ze dan nieuwsgierig naar de hoop die in ons leeft? Zien ze in ons een vreugde in het leven die ze zelf zouden willen begrijpen?
Zien ze in onze manier van omgaan met anderen iets van rechtvaardigheid, eerlijkheid en mededogen waardoor ze bereid zijn naar ons te luisteren?
Misschien ligt daar een belangrijke les in het verhaal van Nicodemus.
Wat was het dat deze man ertoe bracht méér te willen weten over Jezus — een prediker die door de religieuze leiders van zijn tijd niet werd aanvaard?
Nicodemus was geen buitenstaander. Hij was een gerespecteerd man. Hij was een ‘leraar van Israël’. Hij kende de Schriften. Hij onderwees ze zelf aan het volk.
En toch voelde hij, toen hij naar Jezus luisterde, dat er iets ontbrak.
Er was een leegte in zijn denken.
Misschien zouden we er goed aan doen om wat langer stil te staan bij Nicodemus.
Wat was het dat hem aantrok? Het was duidelijk niet de leer. Die kende hij.
Die onderwees hij zelf.
Hij was een leraar van Israël, min of meer een lid van het bestuur van het religieuze systeem van zijn tijd — vergelijkbaar met iemand die vandaag een verantwoordelijke positie binnen onze kerkelijke organisatie zou bekleden.
En toch veranderde er iets.
Want enkele maanden later moet Nicodemus door zijn vroegere collega’s met argwaan en misschien zelfs minachting zijn bekeken toen hij zich openlijk aansloot bij de volgelingen van Jezus en hielp bij zijn begrafenis.
Wat was er dan met Jezus gebeurd?
Wat was het aan Jezus dat een voorzichtige, heimelijke onderzoeker veranderde in een moedige en openlijke volgeling?
Johannes vertelt ons: (19:39) ‘En ook Nicodemus kwam, die de eerste keer ’s nachts bij Jezus gekomen was; hij bracht een mengsel van mirre en aloë mee, ongeveer honderd pond.’
De man die eerder ’s nachts naar Jezus toe kwam, kwam nu openlijk naar voren.
Wat had hem veranderd?
En misschien is dat uiteindelijk de vraag die wij onszelf moeten stellen:
Wat zien mensen wanneer ze naar jou en mij kijken? Niet wat wij zeggen.
Niet welke argumenten wij kunnen aanvoeren. Niet hoeveel Bijbelteksten wij kennen.
Maar wat zien ze wanneer ze naar ons leven kijken? Zien ze iets van Jezus?
