Zendeling

Zendeling

Thirza koos op 4 juli voor een verrassende manier om het thema van haar boodschap te introduceren. Ze vroeg ons de namen op te schrijven van drie personen uit de Bijbel die wij als uitstekende zendelingen zouden beschouwen. De discussie die daarop volgde, ging uiteindelijk minder over de theorie dan over de kloof tussen theorie en praktijk.

Stel dat wij zouden solliciteren naar een functie als zendeling. Wat zou er dan op ons cv staan?

Als we kijken naar het aantal leden van onze gemeente – of beter gezegd naar de groei daarvan – dan moeten we eerlijk bekennen dat onze resultaten als zendelingen weinig indrukwekkend zijn. Anders gezegd: als we Mattheüs 28:19-20 als maatstaf nemen, kunnen we moeilijk om de conclusie heen dat we hebben gefaald.

Laten we de pijn wat verzachten en ons falen in een breder perspectief plaatsen. Als kerkgenootschap feliciteren we onszelf graag met het feit dat we wereldwijd de grens van twintig miljoen leden hebben bereikt. Maar afgezet tegen de wereldbevolking blijft dat een bescheiden resultaat. Twintig miljoen op een potentiële zes miljard, na ruim 160 jaar geschiedenis, is nauwelijks een reden om de champagne te ontkurken. Het lijkt er eerder op dat we geen bijzonder goede verkopers zijn.

Denk eens aan de technologische mogelijkheden van de afgelopen dertig jaar. Tegenwoordig bereikt elk nieuwsbericht – goed of slecht – binnen enkele uren de hele wereld. Toch blijft het evangelie, het Goede Nieuws, grotendeels verborgen.

Kennelijk is er geen adventistische christelijke miljonair bereid om één of enkele miljoenen euro te investeren in een wereldwijde internetcampagne. Stel je eens voor: een twaalftal miljonairs dat ieder twee miljoen euro beschikbaar stelt – of beter gezegd: weggeeft, want financieel levert het niets op. Dan zouden de vonken er vanaf vliegen.

Je zet je computer aan en meteen verschijnt er een advertentie over de sabbat. Je opent YouTube en krijgt een boodschap te zien over de spoedige wederkomst van de Messias. De ondernemer die zijn fortuin verdiende in de uitvaartbranche, roept vanaf de digitale daken dat de doden niets weten. Pop-ups over het komende oordeel duiken overal op. Je zou er eenvoudigweg niet meer omheen kunnen.

Wat zegt dat? Zijn wij bijzonder slechte verkopers? Of is het ‘product’ dat wij aanbieden voor de meeste mensen eenvoudig niet aantrekkelijk? Of is het misschien allebei?

Dat klinkt hard, misschien zelfs ongenuanceerd. Maar spreken de cijfers dit werkelijk tegen?

Ook in onze eigen gemeente hebben we gezien hoe vrijwel alle jongeren die vóór de corona periode nog aanwezig waren, zijn afgehaakt. Toen we na twee jaar weer samenkwamen, troffen we vooral een kleine groep trouwe ouderen aan. Onze jongeren, zelfs onze eigen kinderen, lijken hun belangstelling te hebben verloren. Voor hen is de kerk eenvoudig geen onmisbaar onderdeel van het leven meer.

Maar waarin zou de kerk eigenlijk onmisbaar moeten zijn? Is zij een instrument waardoor wij behouden worden? Een middel om ooit aan Gods oordeel te ontsnappen?

Juist op dat punt is onze groep misschien wel bevoorrecht. Wat eerder een reden tot teleurstelling leek, is uitgegroeid tot een leerschool waarin we steeds dieper zijn gaan zoeken naar de oorspronkelijke bedoeling van de Schepper met Zijn schepping. Misschien is ook onze motivatie om naar de kerk te gaan veranderd. Waar plicht ooit de boventoon voerde, is gaandeweg vreugde gekomen. We zien uit naar de wekelijkse ontmoetingen.

En is hetzelfde niet gebeurd in onze relatie met de Heer? Heeft de motivatie van angst niet geleidelijk plaatsgemaakt voor waardering? Waardering voor een leven onder de leiding van Christus – niet alleen omdat er een toekomst op ons wacht, maar ook omdat het leven hier en nu meer inhoud en betekenis heeft gekregen.

Ik. Jij. De zendeling.

Misschien is Mattheüs 28:19-20 wel de bekendste tekst over dit onderwerp. Daar lezen we wat vaak onze ‘zendingsopdracht’ wordt genoemd. Iedere gelovige krijgt de verantwoordelijkheid om met anderen te delen wat hij of zij zelf heeft ontvangen.

Daaruit wordt vaak ook afgeleid dat wanneer wij zwijgen, anderen misschien nooit de kans krijgen om het aanbod van redding te aanvaarden, zoals bijvoorbeeld wordt verwoord in Johannes 3:16. De verantwoordelijkheid daarvoor zou dan op onze schouders rusten. Wij zouden medeverantwoordelijk zijn voor iemand die verloren gaat. Tenminste… zo wordt het ons niet zelden voorgehouden.

Stel je eens voor dat je aankomt op de plaats die voor jou is bereid. Daar ligt een kaart waarop God je bedankt voor de mensen met wie jij het evangelie hebt gedeeld en die daardoor eveneens op die plaats zijn aangekomen.

Maar wanneer je de kaart omdraait, lees je onderaan een naschrift:

“Wat jammer dat je niet méér hebt gedaan. Er hadden nog veel meer mensen gered kunnen worden…”

Kun je je voorstellen dat je de eeuwigheid zou binnengaan met het besef dat een familielid, een goede vriend of een buur er niet is omdat jij niet alles hebt gedaan wat binnen jouw mogelijkheden lag?

Is dat een vergezochte gedachte? Misschien wel. Misschien ook niet. Die vraag moet ieder voor zichzelf beantwoorden.

Binnen onze groep hebben we geleerd dat zorgvuldig nadenken over wat de Bijbel werkelijk zegt ons soms confronteert met ideeën die op het eerste gezicht nauwelijks geloofwaardig lijken – zoals het voorbeeld van deze kaart. Maar juist zulke momenten nodigen ons uit om verder te zoeken, dieper te graven en ons begrip van God te laten groeien. Want God heeft de wereld zo lief dat Hij ook wil dat wij Hem goed leren begrijpen.

Daarom blijft de vraag ons bezighouden: wat verlangt God werkelijk van Zijn schepping? En wat is uiteindelijk Zijn bedoeling met de mensen die Hij heeft geschapen?