Van Genesis naar Gaza

Van Genesis naar Gaza

Wie heeft de oorlog in Gaza en die in Iran enkele maanden geleden in gang gezet? Misschien komt u tegen het einde van deze beschouwing tot een mogelijk alternatief antwoord.

Wat zou er anders zijn geweest als Abram Hebreeën 11:1 in zijn Bijbel had kunnen lezen? “Het geloof nu is de zekerheid van de dingen die men hoopt, en het bewijs van de dingen die men niet ziet.”

Wanneer we het boek Genesis lezen, lijkt hoofdstuk 11 een eerste gedeelte af te sluiten, namelijk dat van de aartsvaders. De laatste verzen van hoofdstuk 11 horen eigenlijk bij hoofdstuk 12, waar een geheel nieuw onderwerp wordt ingeleid. Hoofstuk 12 is het onderwerp vandaag. We lezen over een familie die in Ur woonde en verhuisde naar Haran, zo’n 1200 kilometer verderop. Het is in Haran dat God ogenschijnlijk willekeurig een man uitkiest, hem een belofte doet en hem op weg stuurt. De verzen 1 en 2 geven slechts de hoofdlijnen weer. De belofte bestond uit twee delen:

Vers 1: “Ga uit uw land, uit uw familiekring en uit het huis van uw vader, naar het land dat Ik u wijzen zal.”

Vers 2: “Ik zal u tot een groot volk maken, u zegenen en uw naam groot maken; en u zult tot een zegen zijn.”

In vers 3 worden nog enkele aanvullende details gegeven. Kort samengevat: een nieuw thuis, ongeveer 600 kilometer verderop, en een nieuwe familie.

Deze man, Abram genaamd, lijkt goedgelovig genoeg te zijn geweest om op deze belofte in te gaan. Hij had een vrouw, Sarai, maar zij wordt bijna als een bijzaak genoemd (”… hij nam zijn vrouw …”, vers 5). Hij nam zijn vrouw en Lot mee; daarnaast moet er een groot gezelschap van knechten en dienstboden zijn geweest die voor de kudden zorgden en de dagelijkse werkzaamheden van een nomadisch bestaan verrichtten. De karavaan trok zuidwaarts.

Zouden u en ik onder vergelijkbare omstandigheden hetzelfde hebben gedaan? Hoe wist Abram dat het werkelijk God was die tot hem gesproken had? Zijn latere gedrag met betrekking tot de geboorte van een kind lijkt erop te wijzen dat zijn kennis van God beperkt was.

De Bijbel vertelt ons niets over zijn achtergrond, noch over zijn godsdienstige overtuiging. Dat is een belangrijk punt, aangezien deze man vaak wordt voorgesteld als een voorbeeld van geloof dat wij zouden moeten navolgen.

Een onbekend gebied binnentrekken is op zich nog voorstelbaar, zeker in die tijd. Mensen trokken regelmatig naar onbekende streken op zoek naar avontuur, een nieuwe start of nieuwe rijkdommen of vrede.

Maar twee mensen vertellen dat zij een kind zullen krijgen terwijl zij de vruchtbare leeftijd al lang voorbij zijn, vraagt wel heel veel van het voorstellingsvermogen. Niet dat zij daar niet naar verlangden. Toch is dat precies wat God van hen vroeg te geloven. Abram zou de vader van een groot volk worden (vers 2).

De tocht vanuit Haran begon toen Abram 75 jaar oud was en Sarai 65. Beiden hadden geen enkele illusie meer over hun kansen om kinderen te krijgen. De Schrift laat daar geen twijfel over bestaan: “Sarai, Abrams vrouw, had hem geen kinderen gebaard; zij had echter een Egyptische slavin, die Hagar heette.” (Gen. 16:1)

Daarom stelde Sarai een oplossing voor die haar volkomen logisch leek: “Zie toch, de HEERE heeft mij verhinderd kinderen te krijgen; ga toch naar mijn slavin.” (vers 2)

Merk op dat Sarai ervan overtuigd was dat de HEERE niet wilde dat zij moeder werd. Onze Heer, die in Genesis de mens had opgedragen vruchtbaar te zijn en zich te vermenigvuldigen, zou nu een vrouw die gave onthouden? Dat klinkt op zijn minst merkwaardig. Lezen wij de tekst wel goed?

Sarai troostte zichzelf met de gedachte dat zij via een draagmoeder toch een kind zou krijgen: “Misschien zal ik door haar kinderen verkrijgen.” En Abram luisterde naar Sarai. (Gen 16:2)

Uit de gegevens blijkt duidelijk dat Abram en Sarai geen geloof hadden in een God die mensen van hun leeftijd alsnog een kind kon schenken.

Stel u eens voor dat Abram had geantwoord: “Nee, Sarai. God heeft gezegd dat ik tot een groot volk zal worden. Dat betekent jij en ik. Ik ben niet met Hagar getrouwd.”

Toen gebeurde het:

“Abram was zesentachtig jaar oud toen Hagar Ismaël aan Abram baarde.” (Gen. 16:16)

Abram was 86 jaar oud!

Arme Hagar. Zij was een dienstmaagd, maar meer — of misschien juist minder — dan een dienstmaagd. Zij werd gebruikt als middel om een bepaald doel te bereiken.

Eerder werd gesuggereerd dat Sarai bijna als een bijzaak werd behandeld. Dat blijkt ook hier. In Haran hoort zij de plannen van God via Abram en niet rechtstreeks van God, terwijl de toekomst haar misschien nog meer aangaat dan Abram zelf.

Het oude echtpaar trok een voor de hand liggende conclusie: zij was het probleem, niet hij. Sarai werd als vervangbaar beschouwd. De echtgenote leek minder waard dan de dienstmaagd.

Stel u voor dat Abram zijn Bijbel had opengeslagen bij Hebreeën 11:1. Dan zou hij hebben gewacht tot God Zijn belofte vervulde.

God had geen plan met Abram en Hagar. God had geen plan met Ismaël. Ismaël was een ongewenst kind, iemand die niet in Gods plan paste.

Kunnen wij Abram en Sarai hun gebrek aan vertrouwen in God verwijten?

Het is gemakkelijk om te zeggen dat wij God vertrouwen en geloof in Hem hebben. Maar wanneer het aankomt op handelen in plaats van praten, blijken onze daden soms iets anders te zeggen dan onze woorden.

Als Abram zijn Heer op Zijn woord had geloofd, zou er geen Ismaël zijn geweest. Hoe anders zou de geschiedenis van het Midden-Oosten er vandaag hebben uitgezien?

Heeft Abram een rol gespeeld in de geschiedenis die zich vandaag voor onze ogen afspeelt?

Of ligt de schuld bij Sarai? Zij deed immers het noodlottige voorstel. Was Abram slechts een gehoorzame echtgenoot?

Abrams handelen laat ons zien dat alledaagse keuzes verstrekkende gevolgen kunnen hebben — ook in ons eigen leven.

Dacht Abram aan dit advies toen Hagar werd ingezet als middel om een belofte te vervullen die niet van God afkomstig was? “Heb uw naaste lief als uzelf.”